
De afgelopen maanden ging ik naar tientallen tentoonstellingen. Ik volgde gewoon mijn interesse: ik keek vooral naar wat ik mooi vond. Maar moet kunst mooi zijn? Dat vroeg ik me al een tijdje af, maar helemaal na het bezoeken van de tentoonstelling London Calling in het Kunstmuseum.
Het is een tentoonstelling die me aan het denken heeft gezet. Maar niet omdat ik hem mooi vond, zoals bijna alles dat ik in Parijs zag. Of in het Kröller-Müller. Of… overal bijna.
Wat bijzonder is aan de tentoonstelling, is niet alleen het werk van beroemde ‘moderne’ kunstenaars of het thema (het menselijk lichaam/figuratief schilderen). Maar ook dat het een keer niet alleen (witte) heteromannen zijn die naar een vrouwenlichaam kijken. Dat staat me regelmatig tegen bij de grootheden uit de schilderkunst. Vrouwen zijn altijd objecten. Maar hier gold dat net zo goed voor mannen. Het is weer eens iets anders, he.
Wat me nu, een paar dagen later, het meest is bij gebleven is vooral dat: dat er zoveel andere perspectieven tussen zaten dan je meestal ziet.
Er zijn werken te zien van vrouwelijke kunstenaars die met dezelfde blik naar mannenlichamen kijken als al die beroemde mannelijke schilders die ik de laatste maanden zag (Picasso, Matisse, Gauguin, Manet … etc. etc.) altijd al deden naar vrouwenlichamen. Er waren lbtq-schilders die mannen en vrouwen schilderden met een hele andere blik dan je meestal ziet. Schilders die hele andere kanten van de Britse samenleving schilderden, omdat ze zelf niet Brits waren of niet wit. Dat was niet de insteek van de tentoonstelling geloof ik, maar wel wat zo opviel omdat ze allemaal mensen schilderden.
Dat maakt het interessant. Maar toch kan ik niet zeggen dat ik alles mooi vond. Eerder niet-mooi, denk ik. Ik voelde me een beetje schuldig dat ik hele zalen oversloeg. Maar toch deed ik het.
Iets moois hoeft geen echte kunst te zijn
Aan de andere kant, je kunt het ook mooi vinden als het niet eens het echte kunstwerk is. Dat ontdekte ik toen ik dit bordje zag:

Pas toen ik het bordje zag, realiseerde ik me dat ik naar een print op de muur had zitten kijken in plaats van naar een doek:

En toch vond ik het mooi. Misschien wel een van de mooiste schilderijen van de tentoonstelling, eigenlijk. Écht mooi.
Het raakte me, de afbeelding.
Er hangt in dezelfde zaal een foto van de schilder, Hockney, waar hij naast dit schilderij staat, alsof hij naast zijn vader staat (dit is de foto). Om de een of andere reden wist ik direct dat het zijn vader was op het schilderij, ook al had ik het echte (niet-echte …) schilderij met titel nog niet gezien.
Misschien lees ik er maar iets in, maar het komt zo liefdevol over.
Het heeft iets moois.
Maar ik moest lachen om mezelf. Dat ik niet eens had gezien dat het geen doek was. Betrapt!
Op zoek naar mooi
Kunst is kunst als het iets met je doet, zeggen experts. Het mag ook walging, afschuw of verwondering zijn.
Maar toch weet ik niet of dat wel iets voor mij is. Er is zeker kunst die me verwondert, zoals laatst in het Kröller-Müller, dat gordijn van beenderen. Het is leuk om verrast te worden. Om een nieuw perspectief aangereikt te krijgen.

Maar na London Calling merkte ik dat ik daar soms wel echt behoefte aan heb, aan mooi. Die bezoekjes aan musea zijn voor mij een manier om even te verstillen, even aan iets anders te denken, even helemaal in het moment te zijn en te genieten. En genieten is lastiger als ik het niet mooi vind.
Ik ging in het Kunstmuseum daarom na de tentoonstelling over Britse kunstenaars toch maar weer even langs de afdeling Mondriaan om te genieten van zijn minder beroemde landschappen.
Ik weet het niet. Misschien moeten we gewoon ons eigen mooi zoeken, ook als we het niet in musea kunnen vinden?
Wat heeft de link naar Hockney een vreemd effect… huh? 1937? Maar die man op de foto is veel jonger (en ook jonger dan de Hockney die ik ken). Ah wacht, even goed lezen. Het is een oude foto, hij is daar 40. Dat dus.
Is hij daar 40?? Hij lijkt veel jonger. Grappig.