
Van de week gaf ik een presentatie in Amsterdam. Maar eerst ging ik nog even langs het Rijksmuseum. In het kader van nieuwe goede gewoontes die ik hoop vol te houden, ook als ik weer *echt* aan het werk ben: even een uurtje kunst kijken. Daar wordt een mens beter van! En na afloop dacht ik: die mensen van het Rijksmuseum, die kunnen nou nog eens echt een verhaal vertellen.
Ik was laatst ook al in het Rijksmuseum, op zoek naar de Van Goghs. Maar toen stond ik binnen een uur naar buiten. Dit keer was ik er langer. Er is zoveel te ontdekken! Ook als je geen behoefte voelt om met de rest van de wereld naar de Nachtwacht te gaan kijken.
(Amsterdamse & post-) Impressionisten
Ik ging eerst toch weer even naar de zaal met Van Goghs. De Van Goghs in het Rijksmuseum vind ik niet het meest interessante, moet ik eerlijk zeggen. Dat durf ik te zeggen omdat ik zo langzamerhand wel heel veel Van Gogh’s van dichtbij heb gezien. In het Van Gogh museum; in Het Kröller-Müller, in Assen en in Parijs. En in het Kunstmuseum natuurlijk, waar ik steeds vaker kom.
Nee, dan die Breitners! Die vind ik zo mooi. Ik zag op de site van het Rijksmuseum dat ze Breitner de ‘Amsterdamse impressionist’ noemen en ik begrijp waarom.
Breitner maakte foto’s en schilderde die. Dat zie je heel goed terug. Het is op een bepaalde manier alsof je naar een documentairefotograaf kijkt. Of een Instagramfotograaf.
Dit schilderij doet me altijd aan A. denken. Zij fotografeert ook zo. En net als Breitner ook graag vrouwen met hoeden op straat in Amsterdam. Het zal geen toeval zijn, vermoed ik, want ik denk dat ze heel vaak in het Rijksmuseum is geweest:

Ik vond deze video op de website van het Rijksmuseum, over dit schilderij.
Terwijl ik naar onderstaand schilderij keek, bedacht ik hoe bijzonder dit eigenlijk was. Een bouwplaats? Wie zou er vandaag de dag nog de moeite nemen om een bouwplaats te schilderen? Of zelfs maar te fotograferen? En hoe jammer is dat eigenlijk? Kijk maar hoe mooi het is dat Breitner dat deed en zo een stad in beweging wist vast te leggen in olieverf:

Die Breitner … als ik Amsterdams was, zou ik er ook trots op zijn.
Een rondje verzamelingen
Na een rondje door mijn favoriete zaal met schilderijen uit 1800-1900, ging ik naar de afdeling ‘De Stijl’. Waar ik ongestoord 5 minuten voor een Mondriaan kon staan, omdat niemand die herkent als Mondriaan liep iedereen er aan voorbij. Maar ja, ik weet inmiddels beter.
Ik nam ook gewoon de tijd om de kast met servies die daar staat van boven tot onder te bekijken, met hulp van de informatiekaart die het Rijksmuseum voor bezoekers klaar heeft liggen. Ik had gewoon niets beters te doen. En het was superinteressant. Die informatiekaarten, dat is pas storytelling. De mensen van het Rijksmuseum maken iets dat weinig mensen interesseert (denk ik) interessant. En ze leren je kijken naar details. Er stond zelf een smeuïg verhaal over een ruzie!
Toen ik de hele zaal over De Stijl had bekeken en naar beneden liep, dacht ik: misschien zijn er andere zalen die ik nog niet heb gezien? Ik had nog genoeg tijd. Dus toen ik een bordje zag met ‘Scheepsmodellen’ ging ik er op af. Niet omdat ik iets met scheepsmodellen heb. Maar ik dacht: why not.
Verzamelingen die de moeite waard zijn
Dat was uiteindelijk de reden dat ik pas anderhalf uur later naar buiten kwam. Want die ene zaal met scheepsmodellen leidde naar zalen vol met opgedoken VOC-schatten. En ook zalen vol ‘gewone’ voorwerpen van VOC-schepen. Vol verhalen over de VOC en de mensen die op die schepen werkten. En het koloniale verleden van Nederland. Op zijn Rijksmuseums wordt dat allemaal op een vrij neutrale maar sensitieve manier verwoord. Ze hebben daar een hele goede tekstschrijver, denk ik. Of misschien een hele stapel?
De zalen over VOC-vondsten gingen weer door in kasten met miniaturen. Mijn moeder had een enorme voorliefde voor poppenhuizen, dus ik moest meteen aan haar denken. Ook hier werd je op een slimme manier meegenomen in de verhalen achter al die voorwerpen. Zoals dat die miniatuurtjes zo kostbaar waren vanwege het materiaal maar ook vanwege het uurloon van de makers.

En dat liep weer door in zalen vol serviezen. En jurken. En sleutels.
Ik heb niet zo veel met scheepsmodellen, VOC-wrakstukken, sleutels en serviezen. Maar het Rijksmuseum maakt het leuk. Want het Rijksmuseum heeft overal een verhaal bij en over.
Alleen met verhalen kun je mensen betrekken
Net als voor mensen in het onderwijs, is het voor musea eigenlijk heel belangrijk om goed te zijn in het vertellen van verhalen. Het maakt het kijken naar statische objecten een avontuur waarbij je je dingen gaat voorstellen. En waarbij feiten blijven hangen (als je dan toch educatief wilt zijn).
Er is een museum waar ik hoge verwachtingen van had, toen ik er ooit met mijn kinderen heen ging. Maar het museum bleek een hele grote privéverzameling te zijn met niet meer dan kale bordjes met een paar feiten over de voorwerpen. Volgens de eigenaren moest dat genoeg zijn: het voorwerp sprak voor zich. Klaar.
Als je fan bent van die voorwerpen, is dat misschien zo. Als je een kenner bent. Maar voor al die andere mensen in de wereld – de ander 99% – is dat niet genoeg. Die moet je verleiden, betrekken en voorlichten. Meenemen.
Met verhalen.
Zo ben en blijf je de top van de wereld
Door de storytellers van het Rijksmuseum weet ik nu dat er trends zijn in tafelschikking. Dat er speciale serviezen kwamen toen Europeanen koffie, thee en chocolade gingen drinken. Dat theekopjes eerst geen oortjes hadden, omdat er kommetjes uit China kwamen. Dat er tijdens de grote porceleinklei-tekorten in 15-zoveel (of was 16-zoveel?) door slimme Delfse producenten heel dun aardewerk werd gemaakt en wit geschilderd, om porcelein na te bootsen.
Dat hangsloten fascinerende overblijfselen zijn met voorbeelden van slimme technieken die het bewaren waard zijn en dat sommige slotenmakers kwaadwillenden op het verkeerde spoor zetten door het sleutelgat te verbergen of 2 sleutels te gebruiken voor 1 slot.
Dat vrouwen jurken en jakjes soms wel 100 jaar lang droegen, verstelden en oplapten en dat het Rijksmuseum geen perfecte jurken wil laten zien maar juist de sporen van de eigenaresses (zie de speciale tentoonstelling Worn).

Zoals de vaste lezer weet, ben ik niet altijd enthousiast over de informatie die je krijgt in musea. Soms is het veel te summier. Soms is het veel te gekleurd. Soms is het achterhaald.
Maar het Rijksmuseum behoort niet voor niets tot de top van de wereld. In 2025 hadden ze 2,3 miljoen bezoekers. Je zou kunnen zeggen: die zouden toch wel komen. Ze hebben tenslotte al die beroemde Rembrandts. En Vermeer. En Van Gogh.
Maar toen ik in Parijs was, zag ik dat niet iedere internationale publieksattractie met wereldberoemde kunst zich genoodzaakt voelt om dingen goed uit te leggen.
Het enige lastige aan het Rijksmuseum vind ik dat het zo onduidelijk is waar je heen moet en wat er allemaal te zien is. Ik begrijp na mijn afgelopen twee bezoeken nog steeds niet helemaal of ik nu nog gedeeltes niet gezien heb en zo ja, waar die dan zijn. Misschien moet ik volgende keer maar eens een plattegrond halen 🙂
Maar dat is ook het leuke. Wat een mazzel dat ik in Nederland woon, op een uur van Amsterdam, en een museumkaart heb. Ik kan zo vaak als ik wil terug om te kijken wat ik gemist heb. Ik kan zo vaak als ik wil een uurtje rondhangen en op ontdekkingstocht. Wat een rijkdom.
Rijksmuseum tips
Dus, een paar tips van iemand die de plattegrond eens moet gaan bekijken:
- Reserveer een tijdslot, ook al heb je een museumkaart. In tegenstelling tot bij veel andere musea, wordt er naar gevraagd
- Toen ik naar buiten liep om 15:30 op donderdag waren alle rijen weg
- Er is een zaal met werken van De Stijl, inclusief een hele serie meubels van Rietveld
- Er is ook een zaal met COBRA-werken waar het meestal heel rustig is. Het is even zoeken.
- En er zijn dus zalen en zalen vol met dingen waarvan ik denk dat zelfs mijn man en kinderen ze interessant vinden. Zoals scheepswrakken, sleutels en scheepsmodellen. Inclusief ‘speciale tentoonstellingen‘ waarvoor het Rijksmuseum objecten toont uit de collectie die kennelijk niet permanent te zien zijn
- Ik heb deze alvast in mijn agenda gezet: een tentoonstelling over Willem de Kooning, met 120 werken. In oktober. Nu al zin in.
UPDATE Een lezer mailde me dat het Rijksmuseum voor rolstoelgebruikers echt helemaal niet makkelijk toegankelijk is. Goed om je te realisern, als je een bezoek plant.
PS Ik vond net een veel ouder blog over een bezoek aan het Rijksmuseum met mijn kinderen! Oktober 2015. Een van mijn favoriete foto’s die je daar niet terugziet is toevallig van die dag. Van mijn middelste zoon die verveeld met zijn rug naar de Nachtwacht zit. Iconisch. En sorry voor de Amsterdammers onder jullie, maar de eerste zin klopt nog steeds: ik voel me niet op mijn gemak in de hoofdstad. Ik ben in Noord-Holland opgegroeid, maar heb Amsterdam altijd ongemakkelijk gevonden. Maar ik trotseer dat ongemak graag. Voor het Rijksmuseum 🙂
Een dubbelportret 😊er zijn enorm veel leuke dingetjes te vinden in ’t Rijks, dan is die Nachtwacht gewoon een saaie toeristenattractie.
Ik vond de zilverwerken van Van Vianen de leukste ontdekking. Ik had, zonder de kunstwerken ooit gezien te hebben, ooit een catalogus vertaald naar het Engels. En ik was blij verrast dat mijn vertalingen overeen kwamen met de kaartjes bij de voorwerpen.
Wat grappig dat je er veel van wist zonder dat je ze eerder gezien had!